Voorbij hoop en angst
Het essay dat Tommy Wieringa schreef voor de Maand van de Filosofie (voorjaar 2025) kreeg de titel ‘Optimisme zonder hoop’. Hij mocht het gaan uitleggen, zowel in de Nederlandse als de Vlaamse media, waarom we in godsnaam geen hoop meer mogen koesteren in deze barre tijden. En hoewel zijn essay helder en goed doordacht is, kreeg hij het moeilijk uitgelegd en vond hij weinig begrip. Mijn interesse groeide toen ik las dat hij inspiratie vond bij boeddhistische meesters en zich eerder al liet ontvallen dat hij mediteert.
Aanleiding voor mij om te onderzoeken hoe dat nu zit met die hoop en welke moed ervoor nodig is om met een spirituele, wakkere blik te dealen met een afbrokkelende wereld.
In het boek ‘Ver van huis’ van Margaret J. Wheatley met als ondertitel ‘Nieuwe moed in deze dwaze wereld’, vond ik veel antwoorden.
Beide auteurs zijn het erover eens: we leven in een tijd waarin crisis zich op crisis stapelt: een ecologische, economische en klimaatcrisis, oorlogen, ontheemding en honger. En dan hebben we het nog niet gehad over de mentale ontwrichting en uitputting waar mensen onder lijden. Een spirituele crisis eigenlijk, waar isolement en het niet ervaren van verbondenheid te vaak leiden tot sociale beroering en terreurdaden.
Margaret Wheatley beweegt zich als organisatiedeskundige in het werkveld van de omgevingswetenschappen en natuurbescherming, maar introduceerde gaandeweg ‘het pad van de krijger’, geïnspireerd door het Shambhala-krijgerschap van Chögyam Trungpa[1] en de zachte onverschrokkenheid van Thich Nhat Hanh. Hoop ziet zij als een ernstig probleem!
IJdele hoop
Schrijver Wieringa toont via recente, onverbiddelijke data over de klimaatopwarming aan dat de toekomst van de wereld rauw en onbewoonbaar zal zijn. Hoewel het voor de meeste mensen in onze contreien nog niet zo voelbaar is, heeft de klimaatcatastrofe ons opgezadeld met een vorm van toekomstloosheid die zonder precedent is in de geschiedenis van de menselijk soort, schrijft hij. Vrolijk word je er niet van. En al wordt zijn bewering ook wel tegengesproken, we kunnen niet blind blijven voor de ernstige planetaire ontwrichting die op ons afstevent. In zijn eerdere boek Nirwana schreef Wieringa nog:
Er komt een moment dat je de dingen voor het laatst ziet, de narcissen in de berm, de bruine bladeren in de eiken die de winterstormen hebben doorstaan. Na jou zijn er weer anderen om ernaar te kijken, de genietingen van de wereld zijn door de eeuwen heen verrassend constant gebleven.
Hoop bewijst zijn waarde in het voorbijgaande en het tijdelijke, bij een kortstondige ziekte, een oorlog of een akelige levenssituatie. Dan kan je hoop koesteren omdat je weet: ooit komt hier een einde aan. Hoop doet een mens uithouden. Als het gepaard gaat met het cultiveren van onvrede met het heden, is het destructief. Met gezeur of furiositeit is niemand gebaat en je verspreidt onliefde. Uiteraard is het heel menselijk en liefdevol om te hopen op een goede toekomst voor je kinderen en kleinkinderen. Maar met de aarde en de leefbaarheid komt het niet goed, die gaan er alleen maar op achteruit. Kan je dan wel hoop koesteren, vraagt Wieringa zich af, “met de blik van een droevig ouderdier dat de wereld ziet smeulen in zijn ooghoeken”.
Handelen om niet
Hij vond een uitweg door te handelen zonder enige verwachting. Hij noemt het een grondhouding van optimisme zonder oriëntatiepunt. Hij ruimt elke dag plastic op, achteloos weggegooid door passanten op de dijk. Zijn aanvankelijke grimmigheid en ergernis kantelde toen hij inzag dat zijn handelingen voortkwamen uit de verwachting dat ze een blijvend effect zouden hebben. Hij voelde zich bedrogen door de hoop en besloot voortaan plastic te ruimen zonder enige verwachting, zonder hoop op verbetering. Elke dag opnieuw, “als een tevreden knecht van het onmiddellijke heden”. Onafhankelijk van het verlangen, zonder toekomst of hoop op verbetering. Los van stemmingen en omstandigheden. Het is een benadering die aansluit bij boeddhistische praktijken en de non-duale blik.
Daarnaast plant hij samen met een legertje opgetrommelde vrijwilligers klimaatbestendige bomen. Hij is betrokken bij de organisatie Protect Ukraine[2] en reist regelmatig naar het land waar hij non-militaire middelen brengt naar het Oekraïense leger.
Valkuil van het doen
Ik hou wel van zijn ‘hands-on’ mentaliteit, dat doen wat nodig is. Er valt zoveel te doen en we piekeren veel te veel. Goedbedoelende opiniemakers en wetenschappers stapelen meningen, overtuigingen en halve oplossingen op elkaar en rijden zich vast. Tegelijk geeft Wieringa aan dat zijn open houding om met moeilijkheden om te gaan voortdurend mentale inspanningen vraagt, waar hij verder niet over uitweidt. Hij heeft in zijn ziel gekeken en een en ander opgeruimd, dat wel. Bij zenmeesters heeft hij geleerd om de waarde van het ‘nu’ en meditatieve onbewogenheid te integreren in zijn leven. Hij heeft leren houden van een wereld zonder toekomst.
Maar net zoals we spiritualiteit kunnen gebruiken om met een boog rond onze angst en pijn heen te lopen, kunnen we ‘actie’ gebruiken om onze woede te ventileren, om onze angst of verdriet niet echt aan te kijken of toe te eigenen. Dan wordt het doe-drift en kan het zelfs leiden tot opgefokt handelen. Het vergt dus nauw kijken. Klimaatcoaches zijn er nu al mee bezig om burn-out en depressie bij activisten te voorkomen. Veel werk daarrond is geïnspireerd door ecofilosofe Joanna Macy en haar boek Actieve Hoop. Een lezenswaardig boek waarin zij een baanbrekend theoretisch kader voor persoonlijke en sociale verandering aanreikt, mede geïnspireerd door haar jarenlange vriendschap met de Tibetaanse lama Chögyal Rinpoche. Ze schrijft:
Actieve hoop gaat niet over hoop hebben op een goede uitkomst, maar over hoop zijn en de gewenste verandering zelf leven.
Hoop verhult ons lijden
Hoop gaat altijd over de toekomst, over de ander of de wereld. De eigen ervaring in het hier en nu wordt overgeslagen, terwijl juist dat de interessantste plek is. Als ik mensen begeleid is het een flink deel van het werk: hun fantasie over een beter leven en de hoop op een idealer zelf doorprikken en hen terugvoeren naar het huidige moment waar alle rijkdom al is, maar waar ook pijn en lastigheid is. Dan moet ik waakzaam blijven om niet mee te gaan in hun zelfverbeteringsproject, dat altijd stoelt op afkeer van de huidige toestand, op zelfhaat. Het verbaast mij vaak hoeveel strategieën en omwegen wij creëren om niet bij onszelf en bij ongemak te moeten zijn. Of bij het lijden in de wereld. Je hoort het wel vaker: ‘Nee, naar het journaal kijk ik niet meer’.
Hope is the melody of the future. Faith is dancing to that melody right now.
(Rubem Alves, Braziliaanse bevrijdingstheoloog)
Hoop op verlossing is zinloos en verhevigt het lijden, weten de boeddhisten. Je bent er al, zegt Hans Knibbe. Zolang je bouwt op hoopvolle verwachtingen, wordt vervulling uitgesteld. En vervulling is te vinden right here, right now. Als we de toekomst loslaten, toont zich wat waar en werkelijk is. We hebben een plek nodig om te luisteren naar wat het leven van ons vraagt. Elke dag opnieuw. Meditatie is daarvoor de beste tool, omdat we stilte en ruimte creëren waarin dingen kunnen oprijzen uit een diepere, non-duale laag, ver voorbij mentale concepten die altijd geconstrueerd en defensief zijn. Ik ken niemand die het gelukt is inzicht en compassie te ontwikkelen zonder regelmatig te verstillen en zonder ‘het kijken naar je gedachten’ te oefenen, schrijft Wheatley. Als je mediteert neem je plaats in het hart van alle dingen. Een hart dat jubelt en bloedt, huilt en gloeit, schreef ik in mijn boek Zijnsvergetelheid.
Christelijke hoop
Van de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer leer ik dat hoop door de oude goden werd geïncorporeerd in de grote monotheïstische systemen. Het element hoop is toegevoegd aan de religieuze beleving om uit de onderwereld terug te keren en de dood te overwinnen, schrijft hij. Daarin is God onaantastbaar ver weg gefantaseerd in een onbereikbare hemel. De hoop is gebaseerd op de wensdroom om die afstand op te heffen en op het vooruitzicht om eeuwig in Zijn nabijheid te mogen toeven.[3]
Pema Chödrön schrijft onverbloemder dat theïsme gebaseerd is op een diepgewortelde overtuiging dat er een hand is die je kunt vasthouden. Op de hoop dat, wanneer we de juiste dingen doen, iemand waardering voor ons zal hebben en voor ons zal zorgen.[4]
Het lijkt erop alsof het wel of niet koesteren van hoop een sleutel is in het verschil tussen theïstische en non-theïstische strekkingen, tussen het christendom en het boeddhisme. Het is voor mij duidelijker geworden waarom het in onze joods-christelijke cultuur zoveel weerstand oproept om hoop op te geven. Als we hoop opgeven, wat is er dan nog? Dan worden we teruggeworpen op ons schuldige, verwarde zelf waar we geen raad mee weten. Dan moeten we dealen met wat er is. Met onze pijn, onze angst, onze woede. Dat is ongemakkelijk, confronterend en vaak herkennen we deze gevoelens niet eens. Al projecteren we ze wel naar de mensen in onze omgeving, meestal onbewust.
Die ellende onderzoeken, waar laten zijn, er compassievol mee omgaan en het herkennen als verkrampte liefde, daarvoor heeft het pad van Zijnsoriëntatie goede tools ontwikkeld. Daarin zijn christenen niet zo goed; een kennis die ontbreekt in veel religieuze en spirituele stromingen.
Angst als metgezel van hoop
Verwachtingen koesteren is teleurstelling met voorbedachte rade, schrijft Margaret J. Wheatley. Hoop is volgens haar een gevaarlijke bron van motivatie, een valstrik goed beschouwd, want pal achter de hoop loert steevast zijn eeuwige metgezel: angst. De tegenpool van hoop is niet wanhoop, maar angst. Er is immers de angst dat de droom niet uitkomt, de angst om tekort te schieten, de wanhoop van teleurstelling, de verbittering en uitputting die ons kunnen overmeesteren, schrijft ze in haar boek.
Als hoop en angst de koers van ons leven bepalen zijn we nooit echt gelukkig. We missen dan de vaardigheid om dieper te kijken dan onze gevoelens. We zijn zoveel meer dan dat. We missen een leven dat voller, schoner en completer is. We komen niet bij liefde.
Niets mis met gevoelens als angst, woede of verlangen; ze zijn het waard om goed te voelen en te doorgronden. Ze zijn een deel van ons en als we er milde aandacht aan schenken dan kunnen we zien dat ze raken aan onze geschiedenis, onze eigenheid en levensdrift. Maar we moeten ze ook niet al te serieus nemen, anders raken we vernesteld in een zorgelijk ik-gedoe dat isoleert en stremt.
Helder zien
Zie, je bent al vrij! Hans Knibbe herhaalt het al decennialang; het werd de titel van een boek. Eerst gaat het over zien. Stoppen en goed kijken. Durven zien in welke emotionele soap je verzeild bent geraakt, telkens weer. Dan ontspannen in hoe het is, compassievol en hartsvol. En openvouwen in het tijd- en grenzeloze Zijn* waarin jij niet meer het centrum bent. Ontspannen in die ‘zalige zelfloosheid’ betekent niet dat je je intrek neemt in rustige en verheven staten. Er is geen afwezigheid van handelen; er is gevoeligheid, presentie en levendigheid. Een open ruimte waarin spontane wijsheid en antwoorden kunnen opborrelen.
Het is een radicale doorkijk in de lege, zorgeloze aard van alles, de stilte die alles doordringt. Het is non-duale openheid, die de bron is van zowel je handelen als je niet-handelen, van je zeggen en je niet-zeggen. Leeg en vol is tegelijk, ongekunsteld en natuurlijk.
De kunst van ‘niet-doen’ is ontzettend belangrijk om te praktiseren in onze nerveuze samenleving. Daar begint het: het is eenvoudig, meditatief zitten zonder doel of hoop. Maar het mag niet verward worden met passiviteit en terugtrekking. Knibbe noemt dit strategieën van het ‘ik’. Het blijft toch de bedoeling dat wat je leert op je meditatiekussen meeneemt naar de wereld. Dat kan alleen via open, nieuwsgierige aandacht die niet gekleurd is door hoop en angst.
Hoop is een vergissing.
(László Krasznahorkai, Hongaars schrijver en Nobelprijswinnaar Literatuur 2025)
Hans Knibbe noemt de training die hij sinds de jaren tachtig ontwikkelt een discipline van geluk, een pad van vrijheid, waarin alle hoop op effect of resultaat radicaal afwezig is. Ook hij windt er geen doekjes om: geef op die hoop! Wat volgt is een volkomen los en vrij zijn. Vrijheid is trouwens etymologisch verbonden met vriend (in de zin van ongebonden) en ook met vrede (in de zin van tot rust brengen).
Het pad van Zijnsoriëntatie bracht me dan ook meer ongebondenheid en rust. Ik neem meer kleur aan en breng meer mijn eigenheid in. Het wordt de vrucht van het pad genoemd. Toch beschouw ik mezelf wel vaker als een beginner. Ik krijg wel wat naar mijn kop geslingerd zo af en toe, en plooi dan telkens terug in verwarring en onzekerheid. Maar voor Hans Knibbe is dat niet zo ongewoon. Hij schrijft: “Iedere keer dat je je onderscheidt, riskeer je geweld van je omgeving. Je moet daarbij veel angsten overwinnen. Hoe symbiotischer de omgeving, hoe gewelddadiger de reactie op jouw coming out.” Een eye-opener was het voor mij. Het geeft mij in ieder geval de kracht om mijn angst voor afkeuring te overstijgen en ongeremder te tonen wie ik ben en wat ik belangrijk vind. In een omgeving waar veel zwijgen is en ongemak onuitgesproken blijft, is dit best pittig.
Niets levends leeft alleen
Als het je lukt om hoop op te geven, dan neem je eigenlijk afstand van je eigen, kleine overlevingsproject waarin je dingen wil vasthouden en bewaken. Als je hoop opgeeft, geef je een wereld op waarin je alleen, geïsoleerd en machteloos bent. Het gevoel elkaar nodig te hebben gaat verloren als je een te onafhankelijk en comfortabel leven leidt.
We zijn ‘obligate groepsdieren’ zegt Frans de Waal, wat betekent dat er voor ons niets anders op zit dan uit te dokteren hoe we samen kunnen leven en zorgzaam zijn naar elkaar en de wereld. In de biologie is het concept van een solitair organisme volstrekt onbekend. Niets levends leeft alleen. Er is alleen verstrengeling, relatie, onderlinge verbondenheid.
We kunnen niet creatief zijn of nieuwe vermogens ontdekken tenzij we een relatie onderhouden met een andere persoon, met een idee, plek of situatie, schrijft Wheatley. Ze vervolgt:
Het leven geeft ons een wereld die het vermogen heeft van zelforganisatie, vanuit interne samenhang en niet vanuit drukkende controle. Het leven geeft ons een eindeloze, onophoudelijke creativiteit en is er altijd op gebrand waar het maar kan nieuwheid te scheppen, meestal om in een behoefte te voorzien of om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Te eenzijdige focus en probleemoplossend gericht zijn brengen slechts kleine en tijdelijke verlichting. Oplossingen die vaak schade berokkenen aan verwante systemen. Alles wat we doen brengt rimpelingen teweeg die veel verder reiken dan we kunnen zien.
Ik denk dan aan het gebruik van pesticiden: ze produceren sneller en meer voedsel, maar beschadigen het hele ecosysteem. Of aan agressieve taal die beschadigend doorwerkt, zelfs decennia later.
Goed samen zijn, samen het goede doen
In elke klas zitten nu twee tot drie getraumatiseerde kinderen, zei een kinderpsychiater onlangs in een interview. Meer en meer jongeren haken af op school. De nood om voor elkaar te zorgen wordt groter, willen we niet in een gewelddadige maatschappij terecht komen, wat al voor een deel zo is.
We hebben veel moed nodig om te breken met een wereld die ten prooi valt aan consumentisme, hebzucht en eigenbelang. Die airfryer heb je echt niet nodig, ze bevatten PFAS en neem het maar aan van een Belg: frieten gebakken in plantaardige olie smaken het lekkerst!
We kunnen geweldloosheid beoefenen in wat we doen en eten. We kunnen minder of geen vlees eten; zo besparen we onze dierlijke broeders en zusters een gruwelijk leven en zorgen we voor een beter milieu. Er valt zoveel te doen in ons schijnbaar gewone, saaie leventje, overschaduwd door het brandende wereldtoneel. Wheatley raadt ons aan bij mensen langs te gaan, ze te storen, open te staan voor een ouderwets, goed gesprek. Ze schrijft:
Achter de façade van ieder afgeleid mens liggen compassie en intelligentie te wachten om door de warboel van alledag heen te breken.
Een uitdaging vind ik het wel, om een goede balans te vinden tussen goed voor mezelf zorgen en goed in contact te zijn met de ander. Om goed alleen en goed samen te zijn. Om mijn eigen bewustzijnswerk te doen en daarnaast een zorgzame, verkwikkende partner te zijn voor mijn naasten. En ook om, last but not least, respectvol om te gaan met de aarde – ons aller moeder – en de niet-menselijke wereld.
Tedere krijgers
Als tederheid vermengd met droefheid ons hart raakt, dan weten we dat we in contact zijn met de werkelijkheid, zegt de Tibetaanse leraar Trungpa.
We kunnen krijgers zijn en toch gevoelig zijn. Door de pijn te zien die mensen wordt aangedaan en toch niet toe te laten dat ons zelfvertrouwen en onze kracht worden uitgehold door de waanzin van de dag.
We kunnen beslissen niet bij te dragen aan angst, agressie, hebzucht en verwarring die alom aanwezig is. We kunnen onze geest trainen om onze neuroses te herkennen, om thuis te komen zonder vaste stek, om het schone, het goede en het ware te herkennen in zovele dingen. Een training waarover het moeilijk praten is in een omgeving die er geen ervaring mee heeft of wars is van spiritualiteit. Ook voor wakkere auteurs als Wieringa.
Wheatley schrijft:
Het is mogelijk om met grote helderheid te zien dat er geen uitweg is uit de levensvernietigende cycli die vele jaren terug in gang zijn gezet. Een klaarheid die ons niet terneerdrukt. Je kan je openen voor de wereld zoals ze is, en ook zachtmoedigheid, fatsoen en onverschrokkenheid zien. Het is je innerlijke krijgerschap oefenen, van buiten onveranderd, van binnen getransformeerd en verzacht.
Jonge inspirators en oude wijsheden
Tieners en twintigers hebben enkel een vormeloze, ziekmakende wereld gekend. Zij hebben geen herinneringen aan een wereld vóór de torens neergingen in New York. Jongeren groeien op in een verdwaalde wereld waar links en rechts, goed en kwaad over elkaar vallen en door elkaar lopen. In een wereld waar er altijd schermen zijn geweest, waarin je altijd bereikbaar bent. Waarin subversief, punk, progressief, conservatief fluïde begrippen zijn geworden, net als mannelijk en vrouwelijk. Ik vind dat ze het er waarlijk goed van af brengen, schrijft Bie Vancraeynest in MO*magazine (2018) over haar werk met Brusselse jongeren.
Ze vervolgt:
“Zij stellen de stad als omgeving niet in vraag, maar zetten die naar hun hand. Op dezelfde manier leer ik van jonge mensen die in dit veranderende tijdperk zijn opgegroeid, hoe ik grip kan krijgen op de wereld rondom mij. Ze geven mij een handleiding voor het tijdelijke gebruik van de wereld. Ik leer van hen meer dan van de generaties die me voorafgingen. De babyboomers die het zo moeilijk vinden om hun plaats af te staan. Die nog zo graag aan het hoofd van instellingen staan of na hun emeritaat nog op de universiteit blijven rondhangen.
In donkere tijden focus ik me liever op wat ik leer van zij die voor niets minder dan gelijkheid gaan. Die dat doen door met kleine initiatieven warmte en liefde te verspreiden als een olievlek.”
Het schudt me wakker, houdt me bij de les en sterkt mijn vertrouwen. Het brengt me bij een grote vraag, zowel in psychologische, maatschappelijke, als in spirituele zin: Wat heb ik los te laten en hoe kan ik het nieuwe omarmen? Een zinvolle, eerste stap. Maar er is meer.
Je kan voorbij hoop en angst gaan en een volgende stap maken, een ruimte ontdekken zonder enig oriëntatiepunt, waar veel meer te vinden is dan optimisme. Het is plaatsnemen in een spiritueel veld vol woordeloze liefde dat er altijd al was en is. Een dimensie zonder goed en kwaad, waar alles verandert, niets vast is en dus ook niets is om los te laten! Het is iedere vezel van je lichaam, je hart en je blik openen voor dat veld vol natuurlijke wijsheid. Het vergt wel een stap. De dichter Rumi nodigt ons ertoe uit en wist deze bede mooi te vangen in zijn gedicht A Great Wagon. Het eindigt met:
The door is round and open.
Don’t go back to sleep.
Dit artikel verscheen in het tijdschrift ZIJN, een uitgave van de Stichting Zijnsoriëntatie, 71 / 2025.
Literatuur
Knibbe, H., Zie, je bent al vrij!, Schets van een non-duaal pad, Asoka, 2014.
Macy, J. en C. Johnstone, Actieve hoop, Hoe de chaos onder ogen te zien met onvermoede veerkracht en creativiteit, Waerbeke, 2016/2023.
Wheatley, M.J., Ver van huis, Nieuwe moed in deze dwaze wereld, Jan van Arkel, 2012/2013. Wieringa, T., Optimisme zonder hoop, in opdracht van Stichting Maand van de Filosofie, Pluim, 2025.
[1] Zie ook Shambhala, de weg van de krijger van Chögyam Trungpa, Kosmos Uitgevers, Utrecht, 2003.
[2] Zie https://protectukraine.nl, een organisatie van Nederlandse vrijwilligers.
[3] Uit: Peachez, een romance, Arbeiderspers, Amsterdam, 2017.
[4] Uit: Gerust in onzekerheid, Servire, 2003.

