Alles kan ik verdragen, maar pijn, nee
Een verhaal over pijnvermijding en attitude
Een gezond lichaam is me tot nu toe gegund en daar ben ik dankbaar voor. Het zal iets te maken hebben met goede genen, een beetje geluk en de zorg voor mijn lichaam in mijn laatste vijfentwintig levensjaren. Dat was ook wel nodig, want het kraakte en spande als een oud karrenwiel. Vlechten van oud en nieuw verdriet klonterden samen in mijn lijf en blokkeerden alle levensvreugde.
Vooraleer ik inzicht kreeg in mijn psychologische programmatuur en spiritueel vrijer werd, stortte ik me op talrijke vormen van lichaamswerk en massage. Ik leerde voelen, openen en nog dieper voelen. Het verschil tussen spanning en ontspanning, tussen energetische stroming en stagnatie. Mijn lichaam werd soepeler, ik ging het liefdevol bewonen. Wat op mijn dertigste niet lukte, lukte wel op mijn zestigste: gezwind vooroverbuigen, met de handen probleemloos reiken tot aan de grond!
Moed en waardering
Slijtage van mijn heupgewrichten bracht me bij mijn eerste ziekenhuisopname. Een prothese van 300 gram titanium met een keramieken kop zou mijn oude gewricht vervangen. Schoorvoetend en bang koos ik voor gedeeltelijke verdoving via een ruggenprik. Niet echt comfortabel om de operatiezaal waar te nemen als een bouwwerf en mijn lichaam te onderwerpen aan de chirurg die onversaagd handelingen als frezen, zagen en kloppen uitvoerde. Ik herinnerde mij wat mijn leraar Iene van Oyen tegen me zei op de allereerste dag van de introductieworkshop Zijnsoriëntatie, zo’n twintig jaar geleden: “Ik denk dat jij een moedige vrouw bent.” Wat ik had ingebracht weet ik niet meer, maar het ging erover dat Zijnsoriëntatie iets is voor moedige mensen. Later zou ze nog af en toe mijn kwaliteiten benoemen. Niet dat ik haar altijd geloofde, het was nieuw voor mij, maar het gaf me onbewust een boost van zelfvertrouwen en veiligheid. We zouden het meer moeten doen: moedig zijn en waardering uitspreken voor elkaar. Het maakt van ons betere en gelukkigere mensen.
Wat me opviel in deze bijzondere zorgbiotoop is dat pijn niet werd benoemd, hoewel het wezenlijk deel uitmaakt van een orthopedisch herstel. Pijn- en zwellingsbeheersing zijn cruciaal in de eerste postoperatieve periode. De ijszakjes en pijnstillers vliegen over en weer, maar het woord pijn wordt niet uitgesproken. Ook niet door kennissen die vooraf hun ervaringen deelden, noch door de behandelende arts en het zorgpersoneel. Tijdens een voorafgaande infosessie werden veel interessante weetjes en tips gedeeld, maar dat het ook pijn ging doen en wat daarvan de oorzaak is, wat de rol is van pijnmedicatie en hoe te dealen met pijn, daarover sprak men niet. In het ziekenhuis kreeg ik een document waarop het woord pijnervaring stond, met een in te vullen schaal van 1 tot 10. Dat was het.
Pijn is niet de vijand
Ik kan alleen maar concluderen dat mensen het heel lastig vinden om te praten over pijn. Om geconfronteerd te worden met iemand die pijn heeft. Wellicht sussen we liever, cirkelen eromheen, dimmen we of kijken de andere kant op. Misschien is het eigen aan mijn streek. West-Vlaanderen heeft een oorlogsverleden met te veel pijn, waarover te veel werd gezwegen.
“Neem vooral je pijnstillers, zodat je de pijn voor bent. Dan kan je je oefeningen doen, wat belangrijk is,” kreeg ik te horen. Men gaat er dus van uit dat ik niet kan oefenen met pijn en niet kan zijn met pijn. Ik begin te beseffen dat ik als Zijnsgeoriënteerd beoefenaar bijna een zonderling ben. Omdat ik pijn niet zie als iets dat weg moet, en weet dat pijn bij het leven hoort. Dat een leven zonder pijn niet bestaat en dat ik er niet voor terugschrik om het te leren kennen.
Ik wil niet stoer doen of masochistisch lijken; pijn heeft een signaalfunctie. Ik ben blij met het bestaan en de beschikbaarheid van pijnstillers in uitzonderlijke situaties, maar we leven wel in een erg pijnvermijdende wereld. Pijn mag er niet zijn en hoort er niet te zijn. Pijn mag niet geproefd, onderzocht en benoemd worden. Pijn mag niet waar zijn. Er is moed nodig om het te hebben over pijn. Hetzelfde geldt trouwens voor mentale pijn. Wellicht doelde mijn leraar daarop, tijdens die eerste les. Ik had toen nog geen idee welke pijn er verscholen lag in mijn lijf en leven. Geen idee over de ontluistering en de pijnlijke confrontaties die ik zou aangaan, maar net zomin over hoe inzichtelijk en bevrijdend het heeft gewerkt om mijn pijn aan te kijken en te doorvoelen. Om op mijn gemak te leren zijn met pijn.
Opgesloten pijn
In het ziekenhuis las ik het gelauwerde boek Tirza van Arnon Grunberg, twintig jaar na verschijningsdatum. Hofmeester, de vader van Tirza, is het hoofdpersonage en vraagt zich pas op latere leeftijd af waarom leven zoveel pijn doet. Ik lees:
Waarom het eigenlijk altijd al zoveel pijn heeft gedaan. Hij heeft over van alles nagedacht, zij het niet altijd even grondig, maar nooit over pijn. Dat was iets voor mietjes, had hij altijd gevonden. En nu hij zich daar voor het eerst mee bezighoudt, bespeurt hij nog steeds lichte tegenzin. Weerzin. Hij had alles, nu heeft hij niets meer. Zelfs toen hij alles had, deed het pijn. Van het bestaan herinnert hij zich een ongemakkelijke stilte, een stijve motoriek, een ternauwernood onderdrukt verlangen. De eeuwige behoefte onder alle omstandigheden beschaafd over te komen.
In een notendop beschrijft Grunberg hier wat er gebeurt als je je pijn negeert: een gespannen, chagrijnig en grauw leven, waarin je je alleen maar aanpast aan de veronderstelde verwachtingen. Niet onschuldig overigens, want in die opgeslotenheid sluimert een harde, explosieve kern van woede die moorddadig kan zijn. Niet toevallig is het zelfmoordcijfer in mijn provincie dubbel zo hoog als in de rest van België en driemaal hoger dan in Nederland. Onze communicatie over pijn is schraal. Hofmeester is de uitvergroting van mensen die nooit hebben stilgestaan bij hun pijn en doodongelukkig zijn. Ik herken er mijn oude zelf in.
Compassievolle houding
Ik wil zacht en compassievol zijn naar al dat leed, naar zowel fysieke als emotionele pijn. Veel mensen krijgen niet de juiste sleutels aangereikt om met pijn en trauma aan de slag te gaan, in een cultuur die pijn zeer ongenegen is. Aan de pijn zelf valt vaak niet veel te doen, maar je kan je houding ten aanzien van pijn wel veranderen. Mij heeft het geholpen om mezelf toe te staan om bang te zijn in deze lastige periode. Om mijn lichaam, dat letterlijk verscheurd werd, te begrijpen in zijn pijn en ontzag te voelen voor zijn dappere poging om weer te helen. Om te voelen dat zoiets tijd vergt, geduld en zachtheid. Die compassievolle houding naar mezelf bracht rust en op een dieper niveau een soort basisvertrouwen, een warme kalmte.
In het transcript van een winterretraite lees ik dat Hans Knibbe vermijding van pijn linkt met vermijding van stilte, van leegte of ruimte. In een bewegende meditatie nodigt hij ons uit te voelen, wat we niet zo gemakkelijk en vanzelf doen. Voelen maakt ons kwetsbaar; we weren het af door ons gevoel te blokkeren of door te dissociëren – het boek Tirza schetst het verhaal van een man die levenslang dissocieert. In mijn praktijk vertelden al tal van mensen dat ze weinig voelen of niet weten hoe te voelen, dat ze ernaar verlangen om zichzelf te voelen. Goed leren voelen leidt naar pijn die te lang verhuld bleef. Als pijn onderdrukt of ontkend is, zal gaan voelen veelal leiden naar die pijn. Aanvankelijk kan dit ongemakkelijk en confronterend zijn, maar goed leren voelen, pijn ‘waar laten zijn’ en erbij blijven, is een noodzakelijke weg naar bevrijding en diepe ontspanning. In Zijnsgeoriënteerde begeleiding gebeurt dit zowel liefdevol als doorsnijdend, met respect voor de eigenheid en kennis van de psyche, ingebed in een ruimere spirituele werkelijkheid.
Zacht als een baby
Hans Knibbe nodigt ons uit om contracties los te laten, te smelten en zacht te worden. Ik lees: “Het gaat niet echt om gefocust emoties, stemmingen of pijn te voelen, maar meer om een manier van erbij te zijn. Zacht, zoals je een baby zou aanraken. Een ontmoeting in een welwillende omgeving, waar pijn en liefde elkaar raken.” In die stille, meditatieve ruimte laat hij ons zien dat pijn een verharding is, een fixatie, een bijzondere uitdrukking van het universum. Met onze geest zetten we pijn, die van nature een stromend gebeuren is, vast. Dat vastzetten en verharden zorgt voor pieken van pijn die de blik vernauwt en van pijn de vijand maakt, terwijl pijn ook kan ervaren worden als een golfje in het universum.
Door enige tijd in die open Zijnsruimte te vertoeven, in een liefdevolle dimensie die zo eigen voelt, is compassie voelbaar naar pijn en verdriet. Dan ben je voorbij de contractie en kan het gebeuren dat je stilaan je hechting aan ervaring en je organische worteling weet los te laten. Dat ontspant diep en je leert rusten in een natuurlijke, ongeconstrueerde manier van zijn, van alles.
Ik kan zien dat die spirituele beoefening mij enorm heeft geholpen in deze lastige herstelperiode. Of nee, het was geen hulp, het was en is veel meer. Het is stoppen met vechten en streven. Het is thuiskomen in alle aspecten van het leven, hoe onvoorspelbaar ze ook zijn.
De titel van deze tekst is geïnspireerd op het iconische gedicht Jonge sla van dichter-psychiater Rutger Kopland (1934-2012). Duizenden lezers in de Lage Landen zijn ooit geraakt geweest door dit gedicht. Kopland slaagt erin om met eenvoudige woorden en op tactiele wijze compassie te laten opwellen voor het kwetsbare en het fragiele. Een kwinkslag van herkenbare tedere terughoudendheid, die eigenlijk wel weet dat het goed komt. Een weten dat het kleine en moeizame onlosmakelijk deel uitmaken van het grote, wijze Zijn.
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
Brugge, mei 2026
Deze tekst werd eveneens gepubliceerd in het tijdschrift ZIJN van de Stichting Zijnsoriëntatie, Utrecht. (nr. 72 – zomer 2026)

